Herman Hümmels
Home

Groei en inflatie

Wat ik niet begrijp is, waarom ik alleen maar hoor dat economische groei zo belangrijk is. Je zou zeggen: “Op een gegeven moment moet je tevreden zijn”. Temeer omdat voor die steeds maar groeiende welvaart meer grondstoffen nodig zijn. Grondstoffen zijn slechts beperkt aanwezig. Het houdt een keer op.

Economische groei is nodig, zegt de Europese Centrale Bank (ECB) die in Nederland het beleid op het gebied van de geldvoorziening, het monetaire beleid, bepaalt. We lezen op de site van De Nederlandse Bank (DNB):

“Snel stijgende prijzen leiden tot verlies van de koopkracht. Mensen zullen hogere lonen eisen. Bedrijven zullen deze hogere lonen op hun beurt doorberekenen in de prijs van hun producten. Dit leidt tot een spiraal waarin lonen en prijzen elkaar opdrijven en de rente zal stijgen. In een klimaat waarin alle goederen en diensten sterk in prijs stijgen hebben consumenten en bedrijven geen houvast om verantwoorde economische beslissingen te nemen. Prijsstabiliteit biedt consumenten en investeerders zekerheid en vertrouwen. Dit draagt bij aan een duurzame economische groei.”

De toevoeging ‘duurzaam’ is denk ik een verkooptruc, want iedereen kan op zijn klompen aanvoelen dat groei gepaard gaat met een toename van het grondstoffengebruik. Hoe meer spullen we produceren, hoe meer grondstoffen daarvoor nodig zijn. Dat die niet eindeloos verkrijgbaar zijn weten we al sinds 1968 (Club van Rome).
De groei wordt gerechtvaardigd onder het mom van prijsstabiliteit:
“Stabiele prijzen zijn belangrijk voor een gezonde economie. Prijsstabiliteit is dan ook de kern van het monetaire beleid in het eurogebied. Onder prijsstabiliteit wordt verstaan een inflatie beneden, maar dicht bij de 2%”

Als je geld gespaard hebt en je krijgt er van de bank geen rente op, dan wordt je geld in de loop van de tijd steeds minder waard als er inflatie is. Je zou zeggen: het meest logische inflatiepercentage is 0. DNB heeft het echter over 2%. Je geld blijft bij 0% dan dezelfde waarde hebben, na tien jaar kun je er nog net zoveel voor kopen als tien jaar eerder. Er zijn echter verschillende belanghebbenden die gebaat zijn bij een hogere inflatie.

Dat de politici en het bedrijfsleven stabiele prijzen belangrijk vinden, daar kan ik wel inkomen. Maar waarom dan toch 2% inflatie? Daar lijkt verder niemand baat bij te hebben. Bedrijven houden niet van onrust en steeds andere prijsniveaus. Werknemers en kopers schieten er niets mee op, want loonstijgingen worden tegen de inflatie weggestreept; bij inflatie kun je voor meer geld geen pakje boter méér kopen. Er moet een addertje onder het gras schuilen. Het addertje zijn de aandeelhouders van de commerciële bedrijven.

Ik zie ook een belang bij de banken. Sinds het geld niet meer aan goud gebonden is kan een bank in principe net zoveel geld scheppen als ze wil. Dit is weliswaar door de ECB aan banden gelegd, maar evengoed: een bank wil geld scheppen, want ze vraagt rente voor het ‘uitlenen’. Hoe meer geld een bank uitleent, hoe meer geld de bank verdient. De winst is voor de aandeelhouders. Banken zijn per slot van rekening commerciële instellingen met als doelstelling: winstmaximalisering. Dat ze daarnaast nog andere doelstellingen hebben doet hier niet ter zake. Banken proberen dus zo veel mogelijk geld uit te lenen. Ze worden weliswaar belemmerd doordat het aantal kredietwaardige leners: een bank wil geen onnodig risico lopen. Maar daar hebben ze wat op gevonden: dat risico kan door de bank verzekerd worden. We hebben gezien dat dit desastreuze gevolgen kan hebben: verzekerde hypotheken in de VS bleken zo in waarde te dalen dat dit de kredietcrisis van 2008 tot gevolg had.

Ook al is de inflatie ‘beneden’, maar dicht bij de 2%’: het blijft geldontwaarding tot gevolg hebben. Naast aandeelhouders hebben ook de mensen met een schuld bij de bank (de leners) een belang bij de inflatie: hun schuld wordt minder groot. Hoe zit dat?
Stel je voor dat je duizend euro leent tegen een rente van 10% per jaar, zonder aflossingsverplichting. Je betaalt dan elk jaar 100 euro rente aan de bank. Aan het eind van het jaar is door een inflatie van 2% de koopkracht van de 100 euro die je aan rente moet betalen nog maar 98 euro. Na tien jaar is de koopkracht nog slechts 83 euro ten opzichte van het prijsniveau van tien jaar eerder. De geldlener hoeft dus bij inflatie steeds minder tegenprestatie (arbeid) te leveren. Want geld wordt verdiend door inspanning, door arbeid.

  • Door meer geld te maken dan er aan behoeftebevredigers (producten) gemaakt wordt, vermindert de waarde van dat geld.

Geldontwaarding ontstaat vooral in economisch slechte tijden. Mensen gaan dan geld lenen bij een bank en uitstaande leningen worden niet terugbetaald. Mensen met schulden gaan nog meer geld lenen om hun schulden af te kunnen lossen. De rente stijgt omdat de banken meer risico lopen. (Of de Centrale Bank pompt meer geld in de economie.) Elke nieuwe schuld betekent dat er nieuw geld in omloop komt. Teveel geld. Het geld wordt minder waard omdat het uitgesmeerd wordt over de beperkte hoeveelheid koopwaar. Je moet dus steeds meer geld betalen voor hetzelfde product. Inflatie, geldontwaarding. Een schuldencrisis ontstaat doordat men aan verplichtingen probeert te voldoen door meer en meer geld te lenen.

De grootste angst is hyperinflatie: een razendsnel verlies van de waarde
van geld met fatale gevolgen voor het geldsysteem en de economie. Hyperinflatie is het meest nadelig voor ‘de gewone man’ voor wie zijn salaris de inflatie niet bijhoudt. Hun geld is snel minder waard. Alleen degenen met grote schulden profiteren: hun schuld verdwijnt als sneeuw voor de zon: als je minder kunt kopen voor 100 euro, hoef je van de andere kant ook minder waarde te creëren om je schuld af te lossen. Rijken krijgen weliswaar minder vermogen, maar iets minder van veel (geld) is nog steeds veel.

Inflatie kan alleen tegengegaan worden door voor meer toegevoegdewaarde te zorgen. Het evenwicht tussen waarde en hoeveelheid geld moet gehandhaafd of hersteld worden. Bij geldontwaarding moet er meer gekocht worden. Er moet meer geproduceerd worden. Er moet meer arbeid verricht worden.
De overheid speelt hierbij een cruciale rol. In slechte tijden moet het-geld-lenen-om-schulden-af-te-betalen afgeremd worden. Dat kan door grenzen te stellen aan de hoeveelheid schuld dat door een bedrijf opgebouwd mag worden. De koopkracht van de niet-rijken moet gestimuleerd worden. Met name de rente-inkomsten van de rijken moet tegengegaan en afgeroomd worden. Dit heeft tot effect dat hun geld onttrokken wordt aan de financiële wereld en besteed gaat worden aan de ‘reële’ economie, aan de productie van behoeftebevredigers. Exceptionele vermeerdering van vermogens moet vermeden worden.

Inflatie (geldontwaarding) is in het belang van de rijken. Er is eens uitgerekend wie de meeste rente betalen en wie de meeste rente ontvangen. Als de betaalde rente van de ontvangen rente wordt afgetrokken, dan gaat in Duitsland per saldo de rente naar de rijkste twaalf procent van de huishoudens.

Notoire schuldmakers zijn de overheden. Volksvertegenwoordigers en regeerders zijn mensen met een bovenmatige behoefte aan macht. Daardoor komen ze bovendrijven. Willen ze aan de macht komen, willen ze gekozen worden, dan moeten ze beloftes doen. Ze moeten wel geloofwaardig blijven, maar door de belangen van hun kiezers te benadrukken of te overdrijven, wordt vaak meer beloofd dan waar gemaakt kan worden. Uiteindelijk leidt dit er toe dat overheden meestal meer uitgeven dan er binnenkomt. Tekorten worden bij banken geleend, de staatsschuld loopt op. Overheden hebben belang bij inflatie: de staatsschuld wordt er, relatief ten opzichte van de koopkracht, minder door.
Overheden hebben belang bij inflatie. Maar ze moeten ook hun burgers tevreden houden die belang hebben bij een stabiel prijsniveau, of in elk geval een zo onopvallend mogelijke stijging van het prijsniveau. Vandaar die 2%: een gulden middenweg (volgens hen).

  • Schulden worden minder waard door inflatie. Er hoeft door voortdurende inflatie steeds minder tegenwaarde geproduceerd te worden. Er hoeft steeds minder arbeid tegenover te staan.

Het meeste voordeel hebben de aandeelhouders. Zij hebben zoveel geld gespaard dat ze het niet nodig hebben voor de eigen consumptie. Ze kopen een stukje eigendom van een bedrijf, anders gezegd: ze lenen hun geld aan een commerciële bedrijf. Als dit onvoldoende is, dan leent het bedrijf het geld dat ze nodig hebben bij banken. De winst die ze ermee maken is voor de aandeelhouders.
Bedrijven hebben geld nodig om de productie te financieren. Ze moeten grondstoffen of halffabricaten kopen en andere kosten maken voordat ze een product kunnen verkopen. Het geld daarvoor kan gespaard zijn of moet geleend worden. Door een product voor meer te verkopen dan het gekost heeft, wordt winst gemaakt. Die meerprijs is voor de investeerder. Dit is de spaarder zelf, of een aandeelhouder of een bank. Die bank is een commercieel bedrijf, Ze werkt met het geld van spaarders, met geleend geld van andere banken of met het geïnvesteerde geld van de  aandeelhouders.

Het wrange is dat we, door het systeem waarin we leven, allemaal aandeelhouder zijn: via pensioenen, via zorgverzekeraars die ons geld oppotten en investeren in andere bedrijven, via ons belastinggeld dat zit in bedrijven waarin onze overheid financieel deelnemer is (banken, KLM…). En heel veel mensen hebben een schuld, bijvoorbeeld via een hypotheek op hun huis.

Doordat de banken geldscheppen (meer geld op de markt brengen dan er aan toegevoegdewaarde geproduceerd wordt) ontstaat inflatie (geldontwaarding). Ze doen dat in hun eigen belang en in dat van degenen die teveel geld hebben dan ze voor eigen consumptie gebruiken. Hierdoor worden de rijken exceptioneel veel rijker dan de armen. Inflatie helpt hen, zonder dat ze er iets voor hoeven te doen.

Home   Voor reacties: Prikbord Economie