Herman Hümmels
Home

Banken

Vanaf de actie van de goudsmeden bestond geld uit twee soorten: munten en certificaten. Je kunt de goudsmeden zien als een voorloper van de huidige banken.

Goud is een behoeftebevrediger en een schaars product. Je kunt het ruilen voor een ander product. De waarden die mensen aan beide producten toekennen moet een beetje met elkaar in evenwicht zijn. Daardoor heeft goud een bepaalde waarde ten opzichte van andere producten, een waarde die bovendien door een overheid vastgelegd kan worden. Deze logica werd door een goudsmid doorbroken: door alleen het bezit van goud kon hij meer goud (geld) maken: hij kon geld verdienen, alleen door goud van anderen te bewaren. Hij kon door het uitgeven van certificaten, en daarvoor minder goud terug te geven dan de goudgever gegeven had, rijk worden. Dit was voor sommige goudsmeden zo lucratief dat ze stopten met smeden. De eerste spaarbanken waren geboren. Zolang iedereen maar dacht dat ze het (nominale) bedrag dat op het certificaat stond zou kunnen terugruilen voor goud, kon de spaarbank onbeperkt certificaten verlenen.

Sommige exgoudsmeden leverden munten aan arme mensen. Als onderpand accepteerden zij dan een (duurdere) duurzame behoeftebevrediger, bijvoorbeeld een sieraad. De exgoudsmid noemde zich dan lommerd of pandjesbaas. Hij gaf aan de lener een lommerdbriefje waarop het ingeleverde voorwerp beschreven stond, plus het bedrag dat de lommerd aan de lener gegeven had. Er stond ook op hoeveel de lener moest betalen om zijn voorwerp terug te krijgen. Dit bedrag was uiteraard hoger dan de lener gekregen had. En er stond een uiterste datum op waarop de lener zijn voorwerp nog terug kon krijgen. Kwam de lener niet opdagen, dan werd het voorwerp verpand (voor goud verkocht). Ook dit was kennelijk lucratief.
Waar het op neer kwam is, dat de lommerd ‘rente’ vroeg voor het beschikbaar stellen van koopkracht, gebaseerd op… Ja, waarop was die koopkracht eigenlijk gebaseerd?

Voor een goed begrip moeten we terug naar het oorspronkelijke idee van geld als tussen- en uitgesteld ruilmiddel. Voordat geld gebruikt werd, kon men de ene behoeftebevrediger ruilen voor een andere behoeftebevrediger met dezelfde waarde. Hoe kwam je aan die behoeftebevrediger waarmee je kon ruilen wat je wilde hebben? Als je sla wilde verkopen, moest je eerst een tijdlang regelmatig je tuin wieden. Je moest arbeid verrichten. Als je een hamer in de aanbieding wilde brengen moest je eerst een stuk metaal en een stuk hout bewerken, en die twee onderdelen in elkaar zetten. Je moest arbeid verrichten. Je moest je fysiek inspannen en je moest je verstand erbij houden. Door jouw arbeidskracht ontstond iets dat voor anderen waardevol was.

  • Geld ontstaat door de aanwending van arbeidskracht.

Wat de gereedschapsmaker deed was waarde toevoegen. Van een stuk metaal een stuk hout maakte hij een hamer. Hij moest wel eerst het hout en het metaal kopen, hij moest kosten maken, hij moest ‘investeren’. Door zijn arbeid creëerde hij ‘toegevoegdewaarde’. Hij kon de hamer voor meer geld verkopen dan hij voor zijn inkoop kwijt was. Hij moest toegevoegdewaarde aanbrengen om geld te maken.
  • Geld ontstaat door het creëren van toegevoegdewaarde.
Dit is waar het in de economie om draait: toegevoegdewaarde creëren. Om toegevoegdewaarde aan te brengen moet arbeid verricht worden, moet een inspanning verricht worden.
  • Geld = toegevoegdewaarde = arbeid = inspanning.
Wat rechtvaardigde de lommerd om rente in rekening te brengen? Wat rechtvaardigde de exgoudsmid om minder goud terug te geven voor zijn certificaat? Wat was de inspanning die zij leverden? Wat was hun toegevoegdewaarde? Het uitschrijven van een certificaat koste nauwelijks inspanning. Het in bewaring nemen van een sieraad evenmin. De dienst die ze verleenden was kennelijk, voor de ‘koper’ ervan, zoveel waard, dat ze hem die toegevoegdewaarde gunden. Het ging niet meer om een geleverde inspanning, het ging om iets anders. Wat was dit andere? Wat kocht de koper?

De koper van de dienst van de exgoudsmid gaf goud in bewaring omdat hij bang was om beroofd te worden: hij kocht veiligheid; hij kocht een behoeftebevrediger. De bezitter van het sieraad had kennelijk tijdelijk geld nodig dat hij op dat moment niet had, maar naar verwachting later wel. Hij kocht voortbestaan, zekerheid. Of misschien wilde hij in een overmoedige bui een luxe artikel kopen waar hij op dat moment meer zin had dan in het bezit van het goed of het sieraad. Eigenlijk doet het motief van de koper er, economisch gezien, niet toe. Het enige dat in verband met de toegevoegdewaarde van belang is, betreft het gedrag van de koper: hij koopt. Koper en verkoper maken deel uit van een transactie. Dit is het enige dat in hun relatie van belang is (economisch gezien).

Toegevoegdewaarde kun je vanuit twee verschillende standpunten bekijken: vanuit het microperspectief en vanuit het macroperspectief. In de vorige alinea was het microperspectief aan de orde. Daarbij spelen, vanuit individueel oogpunt bekeken, allerlei tweedimensionale, emotionele en subjectieve motieven een rol bij de aan- en verkoop van behoeftebevredigers. Dit maakt het koopgedrag van een individu onvoorspelbaar (al zullen data-analisten iets anders beweren, maar zij beseffen niet dat ze alleen meso-uitspraken doen en geen uitspraken op het individuele niveau, het zijn hoogstens verwachtingen).
Op meso- en macroniveau spelen andere grootheden. Dan gaat het om gemiddelden en totalen: omzet; verkoopcijfers; verliezen en winsten in een bepaalde periode; bruto nationaal product… Het gaat om in cijfers uit te drukken grootheden. De bijbehorende regels kunnen in kaart gebracht worden door systemen op te vatten als een blackbox. Op meso- en macroniveau valt het individuele weg, we spreken van ‘economie’. Terwijl het begrip oorspronkelijk toch gaat om behoeftebevrediging en om de vraag hoe je een huishouden draaiende houdt.
Huishoudens staan in dienst van het individuele voortbestaan, het gaat om zelfhandhaving. Je woonde vroeger, en tegenwoordig nog steeds, meestal met een paar mensen in een huis. Je trekt samen op en deelt wat je nodig hebt. Dat delen gaat dan ‘naar behoefte’. Het gaat niet om het uitwisselen van waarden, van koopwaarde, maar om concrete behoeftebevredigers.
In de economie wordt een behoeftebevrediger een product (of een dienst) genoemd. Alle leden van een huishouden dragen naar vermogen bij. Die bijdrage bestaat uit het produceren van behoeftebevredigers.

Op microniveau gaat het om behoeftebevredigers. Op meso- en macroniveau (in de economie) gaat het om koopwaar. De koopwaar bestrijkt maar een deel van de behoeftebevredigers. Er zijn allerlei behoeftebevredigers die buiten de economie vallen (liefde, saamhorigheid, solidariteit, ontferming…).

Het belang van economie begon vroeger vanuit een huishouding met de verhouding tot de buren. Als je iets nodig had leende je het. Verwacht werd dan wel dat je het teruggaf, of als je het opgemaakt had, dan moest je wel eenzelfde hoeveelheid teruggeven. Of als dit niet kon, moest je wel iets van gelijke waarde teruggeven of doen. Voor wat hoort wat. Het gebruik van geld vergemakkelijkte de ruilprocessen die we tegenwoordig ‘transacties’ noemen.

De exgoudsmid en de pandjesbaas begrepen het verschil tussen wat zich op het microniveau afspeelt en de effecten op een hoger organisatieniveau. Het kleine beetje rente dat de goudsmid vroeg voor zijn arbeid en voor de kosten die hij moest maken om het goud van iemand anders in bewaring te houden was nihil. Hij hoefde maar een beetje met de gewichten te sjoemelen om er beter van te worden. Hij hoefde maar een klein beetje minder terug te geven om profijt te hebben. Voor de lener was het kleine verschil acceptabel: het had nauwelijks invloed op zijn welvaartsniveau. De leninggever dacht echter op een andere schaalgrootte. Door het bij veel klanten te doen kon hij zijn welvaartsniveau flink verhogen zonder de gebruikelijke arbeid te verrichten. De goudsmid had een manier gevonden om alleen met geld meer geld te maken. Zolang de mensen maar dachten dat hij voldoende goud ‘in kas’ had om voldoende goud terug te geven voor een certificaat, bleef het certificaat zijn waarde (koopkracht) behouden. Dit was een kwestie van vertrouwen. Zolang men er maar op vertrouwde dat de lommerd eerlijk zijn afspraak zou nakomen, bleef men gebruik van zijn diensten maken.

In grotere steden en naarmate taken zich meer differentieerden, ontstonden spaarbanken waar men geld in bewaring kon geven. Een slimme bankier, die op mesoniveau dacht, wist dat veel mensen er vaak lang over deden om het geld terug te vragen. En het uitlenen was lucratief, want de mensen waren vaak bereid om flink extra te betalen als ze geld leenden. Ze waren soms bereid om zelfs vijftien procent of meer rente te betalen. Leners hadden zoveel belangstelling dat hun aantal dat van de spaarders overtrof. De bankier moest dus iets verzinnen om meer spaarders te trekken. Hij bedacht dat hij een deel van zijn winst aan nieuwe spaarders kon geven. Vanaf dat moment gaf hij een geringe rente aan de spaarders. Voor hen was het profijtelijk om niet hun geld in een oude sok te bewaren maar naar de spaarbank te brengen. Dit was het begin van het bankieren als beroep en het handelen in geld. Inspanning, arbeidskracht, was daar nauwelijks voor nodig. Een nieuwe tak van zakendoen was ontstaan: het ging niet meer om behoeftebevredigers in de zin van concrete producten (inspanning), maar het ging om transacties waarbij alleen geld van eigenaar wisselde. Het ging niet meer om de ‘reële economie’, maar er was een ‘financiele sector’ ontstaan. Geld was van de oorspronkelijke behoeftebevrediging losgezongen en leefde een eigen leven. Op mesoniveau. Op het niveau van het bedrijfsmatige. Op microniveau werd de bankier-als-individu rijker ten koste van de leners.

Ook de maker van de hamer en de landbouwer gingen meso-economische praktijken verrichten. Ze lieten andere mensen de arbeidskracht leveren en betaalden hen net genoeg dat ze het werk bleven doen. Bij hoe meer mensen ze dat deden, hoe vaker ze iets extra konden vragen voor de geleverde producten en hoe meer winst ze konden maken. Ze huurden loonarbeiders in. Als de landbouwer meer grond kocht kon hij meer mensen voor zich laten werken, en hoe meer aardappelen hij met winst kon verkopen. Hoe meer arbeiders de fabrikant in dienst nam hoe meer producten hij kon laten fabriceren. Zo ging het nog in de tijd dat geld goud waard was.

Tegenwoordig leven we in het digitale tijdperk. Geld is geen munt meer maar een cijfer op een bankrekening. Goud was een schaars goed; de hoeveelheid geld dat in omloop was werd beperkt door de hoeveelheid goud dat bestond. De hoeveelheid geld dat tegenwoordig in omloop is kent in principe geen beperking. Om goud (oud geld) te verkrijgen moest het eerst gedolven worden, er moest arbeid verricht worden. Om nieuw geld te maken volstaat het tegenwoordig om een knop van een computersysteem in te drukken. Dat kun je bijna geen arbeid meer noemen. Bovendien zijn cijfers niet schaars. In principe kan net zoveel geld gemaakt worden als men maar wil en kent de koopkracht door de hoeveelheid beschikbaar geld geen grenzen. De enige rem zit hem in de beschikbaarheid van de verkoopbare producten. Die moeten evengoed nog gefabriceerd worden. Dat gaat overigens steeds sneller door het gebruik van machines die steeds intelligenter worden. De productie is minder afhankelijk van de menselijke arbeidskracht.
In het Stukje ‘Marktwerking’ hebben we gezien dat geld ‘bijdrukken’ geldontwaarding (inflatie) tot gevolg heeft. De standaardprijs (de waarde) van het geld wordt dan minder. Als dit geleidelijk gebeurt heeft dat specifieke effecten, als dit massaal gebeurt kan het effect dramatisch zijn. De maatschappelijke orde raakt ontwricht en mensen verliezen dan het vertrouwen in het geld en in hun bank.

Home   Voor reacties: Prikbord Economie