Herman Hümmels
Home

Kleine muntgeschiedenis

Wanneer zijn mensen begonnen met het gebruik van geld? Ik kan geen andere reden bedenken dan ‘het moment’ waarop men de waarde van bezittingen inzag. Iets is waardevol als het schaars is én mensen er behoefte aan hebben. Je hebt een behoefte aan iets als je zonder niet verder kunt leven, of als meerdere mensen 'dat iets' graag willen hebben en het er niet voor iedereen is. In het laatste geval is het ‘schaars’.

Eerst waren de mensen jager/verzamelaar. Door de seizoenen waren er tijden van overvloed, maar ook tijden van bijvoorbeeld gebrek aan eten. Het eten was dan schaars. Dit onderving men op een gegeven moment door eten te bewaren. Dat kan alleen als je op dezelfde plek blijft wonen, of in elk geval in de buurt. De mensen hadden al ontdekt hoe je vuur kon maken en hadden al ontdekt dat door sommige dingen te koken of te braden, ze lekkerder en makkelijker te kauwen waren. Daarom aten ze bijvoorbeeld het graan dat ze verzamelden niet meteen op. Ze verzamelden het en namen het mee naar hun nederzetting. Het bewaren (sparen) van iets om het later te gebruiken was ontdekt. Op een gegeven moment ontdekten ze ook dat je het langer kon bewaren, dat het handig was om een voorraad te hebben. Dat kon met graan bijvoorbeeld heel goed. Ze ontdekten ook dat gemorst graan opnieuw ontkiemde als het in vochtige grond terecht kwam en dat je op die manier dicht bij huis meer graan kon kweken. ‘De landbouw’ was ontdekt.

Ook ontdekte men, dat als je graan droog bewaart, het meerdere seizoenen eetbaar bleef. Degene die het meeste graan bewaard had was spekkoper in barre tijden. Hij ‘bezat’ het graan. Dat verhoogde zijn macht, want minder verstandige stamgenoten waren van zijn goedwillendheid afhankelijk. Vanaf dat moment waren macht en bezit onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het spekkoper-zijn was overigens minder een individuele zaak en meer een gezins- en groepsaangelegenheid. Binnen het gezin deelde iedereen mee in het bezit en was er meer sprake van gezag dan van macht. In de kleinste nabijheidskring deelde iedereen wat hij had. Dat was ook nog wel enigszins zo in de dorpsgemeenschap als een ander gezin het echt zwaar had. Maar als het ene dorp voorraad had en het andere dorp niet, dan kon het zijn dat dit andere dorp probeerde iets van de voorraad te stelen. Bescherming werd noodzakelijk. Samen ging dat beter, samen was men machtiger dan alleen. Dit was de eerste aanzet tot wat later een leger genoemd werd.

Men ontdekte ook dat het handig was om te doen waar je goed in was. Als je een stuk vruchtbare grond had kon je daar graan op verbouwen. Maar het was wel handig om goed gereedschap te hebben. Sommigen waren goed in het maken van gereedschap. Zij konden dat dan ruilen voor graan.
Als de gereedschapmaker meer graan had verzameld dan hij zelf op kon, dan kon hij dat graan weer ruilen voor bijvoorbeeld schoenen. De gereedschapmaker had daarmee ‘het geld’ ontdekt.
Graan functioneerde als tussenruilmiddel. Hij kon het zelfs sparen tot hij een keer ergens behoefte aan had. Graan was een uitgesteld ruilmiddel geworden.
Graan voldeed aan de basisfunctie van geld: als koper en verkoper het eens waren over de ruil van de schaarse middelen (behoeftebevredigers), als ze het eens waren over de overdracht van het bezit, dan was de transactie een feit. Dat werd met een ritueel bezegeld. Tegenwoordig gebeurt dit soms nog met een handdruk. Of simpelweg door in de rij bij de kassa van een supermarkt te gaan staan en te betalen. Het tekenen van een contract is ook zo’n ritueel.

De ontdekking dat het handig was om te doen waar je goed in was, bracht specialisatie met zich mee. Er ontstonden maatschappelijke ordeningen waar bijna iedereen profijt van had. Gezinnen gingen zich specialiseren, later gingen dorpen zich specialiseren in bepaalde beroepen. Dat vind je in Nepal en India nog terug in het kastenstelsel (priesters, strijders, landbouwers en handelaren, ambtenaren en arbeiders). Maar ook in Nederland is tegenwoordig nog een dergelijke ordening in gebruik: families die tot ‘een bepaalde laag van de bevolking’ behoren.

Vroeger, als een gezin een overschot had van een bepaalde behoeftebevrediger, zocht een gezinslid een plek op waar veel mensen langs kwamen. De eerste vorm van marketing ontstond. De ene plek was beter geschikt dan een andere. Op de goede plekken kwamen meer mensen bij elkaar om hun waar aan te bieden. Zo ontstond een markt. Maar nog steeds moest de ‘verkoper’ iemand vinden die een goed wilde ruilen waaraan hij behoefte had. Als hij niemand kon vinden, dan accepteerde hij een goed waaraan hij zelf geen behoefte had, maar waarvan hij wist dat anderen het wel wilden hebben. Bij voorkeur iets dat hij langer kon bewaren dan het product dat hij zelf in de aanbieding had. Daarvoor kwam bijvoorbeeld graan meer in aanmerking dan melk die na een paar dagen zuur werd. Hij accepteerde het graan, omdat dit iets was waaraan iedereen op zijn tijd behoefte had. Gaandeweg ging iedereen graan als zodanig beschouwen. Op die manier ontstond het standaard geld. En doordat er veel met graan als tussenruilmiddel gehandeld werd, ontstond er een soort vaste waarde van graan. Zoveel graan voor een bepaald product. En dat maakte het weer mogelijk om de waarde van een product uit te drukken in een hoeveelheid graan. Vergelijken van de waarde van producten onderling werd mogelijk. Dit wordt ten onrechte in de hedendaagse economie de rekenfunctie genoemd. Je kunt met geld niet rekenen. Je kunt wel een behoeftebevrediger vergelijken in termen van een hoeveelheid (de waarde) van een ander product. Een hoeveelheid (3 of 4) is iets anders dan de inhoud van een bakje. Als je de inhoud van twee bakjes graan bij elkaar voegt, krijgt je wel een andere hoeveelheid, maar dit is iets anders dan rekenen. Dit is gewoon samenvoegen. Als je 3 en 4 optelt krijg je 7 en geen bak graan. ‘Het bakje’ is in dit geval de meeteenheid. Een bakje met een bepaalde inhoud werd de standaardeenheid.

Het was natuurlijk erg lastig om elke keer met een zak graan naar de markt te moeten zeulen. Daarom ontstonden er op den duur andere standaarden. Zo’n standaard moest zo waardevast mogelijk zijn en makkelijk vervoerbaar. Daar kwamen alleen stoffen voor in aanmerking die door bijna iedereen graag gewild werden en blijk gaven van een zekere welstand. Edelmetalen kwamen meer in aanmerking dan graan, omdat ze niet roesten en graan wel door vocht of muizen kon vergaan en verdwijnen. Je kon van goud of zilver de handelswaarde op een munt ‘schrijven’, dan wist iedereen de waarde. Dat moest dan wel betrouwbaar gebeuren. Je moest wel de garantie hebben dat die waarde ook echt overeenkwam met de standaardwaarde die zich gaandeweg ontwikkeld had. Goud en zilver kwamen in aanmerking omdat ze alleen te gebruiken waren voor de bevrediging van een ‘hogere’ behoefte, zoals de behoefte aan macht, aan status of de behoefte om te pronken. Basisbehoefen werden geconsumeerd, opgegeten. Van goud en zilver kon je sieraden maken zodat je anderen kon imponeren. Alleen de adellijke stand kon zich versiering met goud permitteren. Voor de lagere stand kwam zilver in aanmerking omdat het minder zeldzaam was.

Een belangrijke reden voor de ‘verering’ van edelmetalen was de magische kracht die er van uit ging: het glansde en kon niet vergaan zoals zoveel andere zaken. Het bezat bijzondere krachten. Er straalde heiligheid van uit. Dit werd gebruikt om een maatschappelijke hiërarchie te bevestigen. Vorsten werden beschouwd als zoon van de hemel, macht werd gerechtvaardigd als uitvoering van een goddelijke wil. De bijzondere status van de vorsten brachten ze tot uiting door hun beeltenis op munten vast te klinken, waardoor de betrouwbaarheid bevestigd werd. Vorsten gebruikten hun macht om het gebruik van andere munten te verbieden. ‘Het volk’ accepteerde dit omdat ‘iedereen’ geloofde in de waardevastheid. Het maakte handelen, verkopen en kopen, makkelijk. Het bracht structuur (ordening en orde) aan in de onderlinge verhoudingen en in de processen van zelfhandhaving. Naarmate het vertrouwen in de inwisselbaarheid steeg werden munten algemener gebruikt als tussenruilmiddel en als uitgestelde behoeftebevrediger.

Metalen geld had bovendien het voordeel dat het schaars was en veel mensen het wel wilden hebben: je hoefde er niet veel van te hebben om het te kunnen ruilen voor iets waar je behoefte aan had. Bovendien kon je makkelijk het gewicht vaststellen. Nog makkelijker was het om het gewicht in een stukje goud te slaan. Dan wist iedereen hoeveel het waard was. In steeds meer gebieden werden munten gebruikt met aan de ene kant de afbeelding van de vorst en aan de andere kant het gewicht (de waarde-in-goud). Om zeker te zijn van de waarde kon je de munt wegen. Dat was nodig als je de ander niet vertrouwde. Want het kwam voor dat oneerlijke mensen van elke munt een klein stukje afschraapten. De waarde kwam dan niet meer overeen met het gewicht-in-goud. Om dit te voorkomen werd de rand van de munt van een kartelrandje voorzien, of met een inscriptie. Je kon dan makkelijk zien of er gesjoemeld was. Voor de gulden werd de inscriptie gebruikt: “God zij met ons”.

Home   Voor reacties: Prikbord Economie